Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mijn geest is verdorven, mijne dagen worden uitgebluscht, de graven zijn voor mij.

„Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering.

„Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijne ledematen zijn gelijk eene schaduw."

Anna zet zich schuw voor haar bord, ziet wel de tafel nog feestelijk beladen met pasteien en schotels vol vleesch en gebakken visch, hoort de messen op 't porselein, ziet de ernstige gezichten in de morgenzon luisteren naar de woorden van Fenne's hooge, trage stem.... Ze komen ook tot haar als een aanzwellend wee.

„Mijne dagen zijn voorbijgegaan, aitgerukt zijn mijne gedachten, de bezittingen mijns harten."

Verwonderd hoort ze. Het bezit van haar hart?.... Er is een vreemd gegons in haar ooren.

.... „het licht is nabij den ondergang van wege de duisternis.

„Zoo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden"....

En het wee zwelt haar tot de lippen, golft over haar heen. Roerloos blijft ze, maar haar handen klemmen ineen, de nagels in de palmen.... Zóó bang is ze, dat ze zal opstaan en roepen.... „zwijg, zwijg!" zou ze roepen ,,'t ongeluk komt.... leed, eer liefde leven mocht." Maar ze blijft stil. Het wee wordt een nevel. Ze voelt door den nevel de oogen van haar moeder naar haar afdwalen, voelt een flits van ergernis uit Fenne's vluchtigen blik naar haar, ziet hoe Karei z'n

Sluiten