Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met Lijsje zijn naar Eschate gewandeld — is ze voor 't eerst weer bij het boschkruis. Juni was 't, toen ze er 't laatst wat rozen bracht, nu is 't half in Wijnmaand. Angst voor het hartzeer dat ze hier voelen zou, weerhield haar — al weet ze zich steeds kleinmoediger, steeds onwaardiger voor God. Maar ze is zonder weerstand.

Ze staat nu met gevouwen handen, haar lippen prevelen wel de acht Zaligheden door vader de Reyser haar in 't hart gelegd, ze wil denken aan dien wonderen Allerheiligenmorgen van toen Kan ze zelfs die herinnering niet meer

levend oproepen? Ze kijkt star naar het kruis. Maar onafgewend en aanhoudend zijn het Hendrik's oogen, die haar somber en onrustig aanzien, 't Stage staren van dien bük verlamt haar. Hoe kan haar leven er nog ooit van los?

„Red ons" stoot ze dof uit, met dat ze zich afwendt om heen te gaan. 't Is in al dezen tijd het eerste gebed recht uit haar ziel — een pijnkreet die iets verscheurt en breekt. Alsof haar hart nu gaat doodbloeden.

Uitgeput, ineens onmachtig tot elke beweging, verzet ze toch voet voor voet. 't Is of iets onzichtbaars tegen haar opdringt, dat haar voorgoed wil overweldigen en dat ze enkel van zich af kan stuwen, door ondanks haar onmacht tóch voort te gaan.

Haar adem is weg, nu ze bevend en met zwikkende knieën in de poort van de Laar komt. Ze kan niet meer. Haar slapen bonzen en pijn hamert in haar hoofd, in heel haar lichaam.

Ze moet tegen den muur rusten En terwijl ze daar in

den schemer van de wulfselgang bijna ineenzinkt van afmatting, denkt ze aan Caspar. Waarom is hij er niet meer?

Hem zou ze wel haar zielsnood durven klagen aan hem, of

neen, liever en alleen aan vader de Reyser — aan een priester. Dat is 't, wat ze mist — ze zou moeten biechten, al haar

Sluiten