Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je spreekt of hij er niet meer is," vermant Anna zich. 't Is haar als deed ze een blinden sprong.

„Maar — weet u dan niet dat-ie er van doorging? Nergens te vinden, 'k Heb gehoord dat z'n broer heel den omtrek navroeg. Niets. Alleen schijnen de heiboeren hem iets verteld te hebben van 'n woesteling te paard, die op 'n Augustusavond naar 't oosten reed. Ze meenen dat 't de Wilde Jager was, die met den storm komt. M'n kop eraf, als dat niet m'n dol geworden jonker is geweest. Die had niet voor niemendal van Rossem's sjerp over z'n statie-pak.... Natuurlijk is hij aan 't avonturen in den Dttitschen oorlog."

„Zou je meenen?" zegt Anna, hunkerend naar nog meer. Want wat 'n verademing over hem te hooren, hoe dan ook, en iets, iets te weten — „naar 't oosten?" Maar Berents duwt haar z'n boekje open in de handen, .„Lees 'ns — dat is er een van den jonker — ik zal 't voorzingen," Hij grijpt z'n viool, slaat in de snaren en begint schor:

„Mijn God zijt dij, die mij wel kan bevrijden,vU Dus helpt mij nu doch uit dit zware lijden. Zend alle geesten t'mijnder hulpe-fijn, Ja, al de Duivels die in Roomen zijn."

Glunder ziet hij over z'n viool naar Anna, die 't spotlied op Parma hoorend, langs den halfdronken zanger in de kaarsvlam staart, ineens weg in de herinnering aan een ander lied — 't lied dat ze dien versten morgen zonder bedoeling tokkelde, en dat, toen Hendrik 't had verstaan, ineenmaal zoo diepe beteekenis kreeg:

„Ik heb gejaagd mijn leven lanc Al om een jonkvrouw schone."

Sluiten