Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zingt op in haaf hart en haar oogen vloeien vol tranen, terwijl de ander z'n geuzenliedje lalt. Maar ineens in schrik zwijgt. Er komen stemmen en voetstappen. Tegelijk hard en kort haar naam. Meteen zich omwendend staat ze voor haar moeder en Fenne.

„Wat doe je hier?" vraagt Fenne, argwanend van haar naar Berents ziende.

„Ja, wat doe je hier?" echoot vrouwe Catharina onthutst door Fenne's achterdocht.

Anna weet geen antwoord, Fenne's vraag stoot haar terug in een pijn, die haar bijna doet bezwijmen.

„Kom mee," beveelt Fenne, Berents' deur met een smak dichttrekkend. Eerst onder de linden op het voorhof begint ze weer in bedwongen drift heesch: „Daar zoek je 't dus. Daarom wil ze altijd alleen thuis blijven, alsof wij haar verstooten. Ziet u nu, moeder? Ze doet als een non achterbaks. Da's nu paapsch gehuichel."

„Kom, kom," sust vrouwe Catharina, die meelijden heeft met haar bleek kind, dat stil gebukt zich naast haar voortsleept, de oogen in starren angst „Ze kan toch eigenlijk

best even bij de poort praten in 't voorbijgaan."

„Eerst zat ze dag in dag uit bij Caspar te kwezelen. Nu we daar 'n eind aan maakten, laat ze zich zoowaar bedjes

voorzingen door dien verloopen Berents Er moet op haar

gepast, moeder."

„Anna, ga liever naar boven," stemt haar moeder goedmoedig in. Ze zijn in de hal bij de trap. Anna ziet niets meer, dan vóór zich de steile hooge treden, die ze opgaat stap na stap, zich vastgrijpend aan de leuning, weer stilstaande, weer verder. Ze móet. 't Is het laatste wat ze kan,, maar dezen gang moet en zal ze gaan. Ze zal. Neerstorten? Breekt na

Sluiten