Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog één stap d'r hart in 't overmatig bonzen ? Sterven zonder biecht, maar in boete, in deze boete voor haar en hem.

Verbijsterd staat ze ten laatste tóch in haar kamer — en als ze nu.... o God wat, wat ? Lucht om te ademen, want vuur doorvlamt haar, slaat haar naar 't hoofd, jaagt en hamert haar dood, als ze niet — zoo het raam open.... zoo het brandend bonzend hoofd in de koelte buiten.... Zie, nu is er weer iets anders dan de warreling van vuur en woeste schaduwen.... Nu zijn er omlaag de bosschen, ver langs de aarde zich verliezend naar den schemer, naar de poort van den avond.... Ze ziet, ze weet.... daarheen, ver verloren reed de Wilde Jager en nam haar ziel mee.... o God, verloren, verloren met hem....

□ □ ' □

Toen vrouwe Catharina met Lijsje tot slapengaan kwam, vonden ze Anna op den grond met den rug tegen den muur onder 't open venster. Als haar moeder naderde, sloeg ze de armen uit en prangde ze in leege onhelzing weer tegen 't hart, — haar oogen star naar het licht in Lijsje's handen. En starend begon ze met diepe stem te zingen:

„Ik ben verdoold in deze jacht.

De wereld heeft mi gelogen

In 't jagen ben ik dus verblind. . Den weg heb ik verloren." Ze bleef in die hersenkoorts weken na weken ijlen. Op de Laar dacht ieder dat ze voorgoed zinneloos was geworden, en Fenne zei dat ze 't lang gevreesd had — onnatuur was dat vasthouden aan 't bijgeloof tegen alles en allen in. Duidelijk was dit de straf Gods, en mocht ze 't doorworstelen, dan zou ze inzien gedwaald te hebben.

Sluiten