Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hun moeder hoorde 't smartelijk zwijgend aan, terwijl ze bij 't bed zat en natte doeken op Anna's hoofd legde — „Wat heeft 't kind ons of God ooit misdaan? zoo stil en geduldig altijd".... Heer Herman reed zelf te paard naar Arnhem om den dokter, die met lancetten en coppen kwam, maar 't hoofd schudde en geen anderen raad wist dan de koude kompressen en 't mengsel dat maarte Brecht bereidde van de kruiden die in de stove aan de zolderbalken hingen— vlier, lindebloesem, kamillen, marjolein en tijm. Brecht waakte 't meest bij dé zieke. Ze was inderlijd met heel 't gezin van de Laar tot de nieuwe religie overgegaan — de meesters zouden immers alles wel 't best weten. Maar ze had toch heimelijk haar paternoster bewaard, en naast Anna's bed zat ze eraan te bidden. Als de zieke na lange inzinkingen in doffen slaap, weer opvoer en met verwilderde oogen uitzag naar de gordijnen aan 't voeteneind „daar — daar" — dan begon de maarte haar Ave's als een deunenden wiegezang. Ten laatste lag Anna dan wel verwonderd te luisteren, en nog later bad ze mee. Tot het bidden in zingen verging, altijd datzelfde lied:

„Ik ben verdoold op deze jacht."

De maarte leerde 't al luisterend, en in menigen nacht van dien winter, als de storm langs het doodstille slot joeg, zongen ze 't samen, de droomstem van de zieke en de oude, bevend en dor.

DT O □

Toen Anna in 't voorjaar langzaam tot het leven terugkeerde, was haar uit de dwarrelende koortsvisioenen enkel dit lied bijgebleven, en 't lied riep het eerst de herinnering op.

Ze lag met de armen onder 't hoofd, en licht ontbloeide m haar oogen.

Sluiten