Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelukkig ziet Anna in haaf moeders verteederde oogen op.

„Het lied doet me hopen, moeder en hoe heerlijk wat

u zegt, dat het overal doorkhnkt op de Laar 't is een

hartegebed, moeder, en als de Laar zoo weer gaat bidden"

„Zing maar, kind, zing maar", haastig zoekt vrouwe Catharina netelig praten te mijden. „Zing en bid zooveel je wil. Maar begin niet opnieuw te tobben over jouw en ons geloof. Dat maakte je zoo ziek."

„O neen, dat niet 't eigenlijke dat me ziek maakte,

vreemd, moeder, 't laat me nu genezen."

Verwonderd wacht vrouwe Catharina een uitleg. Maar eerst na een lange zinnende stilte komt Anna's stem, schuchter: „Mag ik iets vragen, moeder? Laat u me zoo gauw ik beter ben, 'n middag naar 't Loo gaan."

„Zou dat zoo'n groote gunst zijn ? — Wat is er op 't Loo ? Söfie van Isendoorn ? vrouwe Margriet ?" vorscht haar moeder, en als Anna over het geheim dat haar toch op de lippen zweeft in een treurigen ghmlach bhjft zwijgen, vult ze ver-

droefd zich zelve aan: „Zeker, je moet 'ns naar 't Loo

Altijd zonder dat Fenne 't weet.... Hier is ook niemand,

die je verstaat" Hun handen beven ineen, maar woorden

hebben ze niet meer.

° □ □

De zomer komt: Anna zit in den tuin aan den grachtrand, luistert naar het rimpelen van het water en ziet uit naar de bosschen. Ze is nog te zwak voor den verren weg naar het Loo... . Maar ze is gerust. De dag zal komen — en Hendrik zal er zijn. Ze bidt om die overmaat van geluk, en hoopt. Alles is zoo stil in haar en om haar. De luit ligt vergeten. Maar Lijsje loopt door de paden en zingt: „Ik heb gejaagd mijn leven lanc" en de rozen bloeien.

Sluiten