Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft het vendel door de straten gerumoerd Bohemers,

Croaten, Walen, Saksen, Engelschen, Franschen elk met den eigen dronkenmansdeun. Maar hopman, vaandrig en de drie schilddragers waren in den kelder genoodigd en tapten den

wijn uit de tonnen Warmer dan zonnegloed is de wijn van

Bacharach.

Nog niet lang is de vaandrig wakker uit den roes na het drinkgelag. Hij staat hoog op den toren alleen.... In een gril deed hij eerst de musketiers van de wacht meekhmmen tot boven, hield appèl, en liet inrukken tot rust. Nu steken de vuurroeren glinsterend tusschen de kanteelen op. De vaandrig staat in een heg van musketten. Aan den torenvoet liggen de wachters te luieren, 'n paar die er dobbelen, en een schaterlach klinkt soms op. Vaandrigs paard, aan den ring van den torenmuur, hinnikt bij de kribbe.... Maar alle klank

vergloort 't Eenige dat leeft, is het ruischen van het

stroom water....

De vaandrig leunt loom aan de borstwering, de armen overeen op het kuras, dat het licht van wijdom weerkaatst.

Is het nog de wijn of is het de zon van September, die z'n brein met een nevel doorwaast ? Op z'n lippen ligt wrangheid, of hij droesem dronk. De zon is zoo scherp niet. De vaandrig voelt zich beklemd en verdrietig als in geen maanden. Zal

hij gaan dobbelen bij de wachters?

Hij is te moe om zich te bewegen. Moe voor 't eerst na

heel 'n jaar Want 'n jaar zwerft hij nu van 't een naar

't ander Gulik, Praag, Bacharach, en daartusschen

koestallen, kathedralen en kloosterkelders beurtelings het

tehuis van de tweehonderdvijftig, den hopman, en hem

want overal een dak voor het vendel, overal een bed, overal een koningsmaal. Musketloopen zijn hun wondersleutels.

Sluiten