Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan beweeglijk geglinster om die ster als een zon, tot ineenmaal alles verdween.

Maar zij op 't schip zijn in schrik en angst. Aldoor banger en stiller naarmate de stroom hen lager het land in bracht, heeft de vrees hen nu zóó doorschokt, dat ze haar niet meer kunnen verbergen. Want de kettersche huurlingen zwerven langs den Rijn en houden, dichter naar 't Guliksche, de vesten bezet, troepen van de Staten, — zooals hun medereizigers toe Boecop en Radelandt, de Noord-Nederlandsche edelen, zeggen, — met benden van den paltsgraaf-koning, die tegen keizer Ferdinand woedt. En zij, twee en twintig, vijf vrouwen, drie schippers en de overigen, kooplui van overal, terug van de Frankforter mis, zijn oprechte papisten en weten sinds lang hoe de ketter hen haat. Alsof de drie schoten hen raakten, zijn ze opgesprongen van de banken kings de verschansing, ontdaan en vragend opdringend naar de vijf, die onder den mast stonden te praten. Naast den Stichtschen jonker Radelandt, de Gelderschman toe Boecop, Jezuïet uit Mainz, maar in poortersdracht, zooals *&an z'n zijde de novice Johan Bielstein en de Mainzer kanunnik Vogtz. Alleen de Guliker pater Godfried Thelen, die het ordeshabijt niet aflegde, en bij hen staat als de eenige priester

„Waarom zoo verschrokken ?" stelt Arent toe Boecop gerust. „Die schoten zijn niets anders dan een sein. Bacharach vraagt Rijntol, en, schipper, je doet 't verstandigst naar den oever te wenden. Wij zullen, onverschillig en vrij, töonen niet bang te zijn voor 'n geweerknal."

„Waarom ons leven wagen?" zeggen de kooplui „midden op den Rijn zijn we 't veiligst."

„Het dal wordt hier nauwer, links en rechts ligt 'n vesting, en vlak vóór ons zie je dat kleine eiland met den burcht

Sluiten