Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn er Calvinisten genesteld, dan is 't water minder veilig dan de oever, als we zonder tol, tartend en verdacht, voorbij zeilen. Veiligst is te landen en dan, met open vizier Kom ik sta voor u allen!" En als op kinderen ziet Boecop, hoofd en schouders boven allen uit, met een glimlach op de angstigen neer, kracht en rust in z'n blik.

„Wij naast u!" zeggen de vier, die 't eerst om hem waren „U, vader Godfried! Uw ordeshabijt is voor de ketters wat de roode lap is voor den stier.... U doet beter in 't vooronder te kruipen, met al de overigen rond u om den vermaledijden tabberd te verbergen. Radelandt mee om de stilte te bewaren. Want ons schip moet een leeg vrachtschip lijken de kanunnik, Bielstein en ik de eenige, toevallige reizigers. En dus: duikt weg!"

Ze gehoorzamen gretig, en 't wordt leeg op het dek De stuurman gooit het roer om, de schipper het zeil, de schippersknecht boomt. Oeverwaarts zwenkt het schip, en de drie voor den mast praten vreedzaam, maar houden den wal in 't oog. Boecop zegt: „Ze loopen'te hoop, kijk!" „Tolgaarders!" lacht Bielstein.

't Krioelt aan. den oever. Op de kleine groep die er stond een ruiter naast mannen in 't gelid, stormt een troep aan op paarden; verder achter hem aan, een drom soldaten in den looppas — en dan een gewemel van kleurige kleeren, meisjes kinderen, poorters uit Bacharach.

„Goed, dat de lui in 't vooronder niet zien, hoe ons schip wordt verwelkomd.... Wat beduidt die stormloop?" vraagt de kanunnik.

„We zullen 't gauw genoeg weten!" lacht toe Boecop „Laat ze maar!"

„U lijkt blij ze te woord te kunnen staan."

Sluiten