Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bielstein z'n lijfknecht, weet tot scherts en lach te komen, alle klippen mijdend. Soms ziet hij om, wijzend of vragend over de ligging der dorpen en burchten hier, of over Caub aan den overkant. „De Staatschen daar? de Staatschen bij

Keulen? wel, 't zal veilig varen zijn tusschen landge-

nooten door." Maar onderwijl houdt hij het schip in 't oog, dat rustig gemeerd ligt. De troep legert om den wachttoren, luiert in het gras. 't Straatvolk komt achter hen aan stadswaarts geslenterd. Kinderen kijken nog bij het schip.

En gerustgesteld ziet Boecop van het schip naar den vaandrig op. „Wie is hij ? die jongen met z'n oogen vol gewoel van licht en donker, met z'n losse stem, waarvan toch goedheid de dieper klank is die boeit, met een kinderlijken lach telkens als zon over z'n jongensgezicht.... z'n gebaar, z'n gepraat, zoo gulhartig blij bij den landgenoot — en toch vaandrig bij dit kettersche vreemden-vendel ?"

Met hun vijven gaan ze de stadspoort in, gezellige kameraden.

□ □ □

Een van de musketiers rekt zich uit met 'n geeuw en staat op. Hij verveelt zich bij den wachttoren, kijkt wat rond, ziet het schip en slentert er heen, handen op den rug. 'n Kameraad komt naast hem, Hst in de oogen, slentert mee.... „Er is allicht iets te halen." — „Stil. Niemand heeft er erg.... misschien dat wij tweeën.... alles voor ons!"

„Wat heb je voor lading?" begint hij gemoedelijk tegen den schippersknecht, die over de verschansing leunt. „Leege tonnen en kisten voor Keulen," zegt die voor evenveel.

„Drie reizigers en 'n schip met mets — maak dat den duivel wijs. 'n Duitsch schip zakt niet leeg den Rijn af."— „Leeg? leeg.... Ik zeg kisten en tonnen." — „Vol zijn die tonnen.

Sluiten