Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lieg niet. Wij hebben dorst. Je zult ons te drinken geven." — „Van ons schip blijf je af." De knecht stelt zich vóór de brug die ze over willen. — „Had je niks te verbergen, dan was je niet bang. Opzij! We moeten er op." — De schipper komt. Zij opnieuw: „We moeten er op, door den hopman gestuurd. Alles moeten we nazien." — „De tol is betaald," zegt de schipper. „Terug!" — „Niet zooveel praats. Al zijn wij maar met tweeën, er liggen er tweehonderdvijftig bij den toren, klaar bij 't eerste alarm!"

Ze stompen schipper en knecht met hun kneukels op zij. „Wijn!" snauwen ze. — „Geen slok aan boord." — „Leugenaar! Laatkijken jelading." Ze stappen over 't dek, dat dreunt, ijzer onder ijzer. Ze komen bij het luik van het vooronder en de een laat zich neer, de ladder mijdend, met een zwaai en een bons op de planken van het vooronder. De ander hem na. — „Ha!" — Ze staan in 't halfdonker, alleen van boven valt de dagklaarte, nevelt goud over *t glimmen van hun helm en pantser, maar vervaalt naar den hoek, waar de drie-en-twintig tot een kluwen opeen hen met bleeke gezichten in ontzetting aanstaren. De twee, eerst verstomd als voor spooksels, brallen los: „Verraad! Spionnen! 'n Vol nest Spinolanen! Haal uit dat gebroed!" — En met getrokken rapier bukken ze nader, grijnzend lachend in leedvermaak, omdat de groep gillend nog dichter ineenkluwt.... armen heffen zich, verstrengelen zich, hoofden bukken tot stooten vooruit. Eén smakt zich op den grond voorover, en opzij dringen er radeloos met borst en hoofd en strekkende handen tegen de beschotten op....

Maar van de bank, waar hij alleen zat, is Radelandt opgesprongen en verspert den indringers den weg, 't pistool vooruit, den vinger aan den trekker. „Geen stap meer. Geen hand naar hen uit! Laat vreedzame kooplui met vree i" — Wij

Sluiten