Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheuren duwen en dringen, of krampachtig zich aaneenklampen. Tot ze allen, de onverlaten en zij, verstommen

In den hoek, die leeg werd nu het kluwen uiteen warde staat de laatste - vader Godfried, met de armen over dé borst gekruist.... vóór hem de twee musketiers. , Paapi" hebben ze geschreeuwd, toen ze hem ontdekten. „Tij dus de lading van dit helleschip.... Wat met jou, hier! Jezuïet in je tabberd

„Ik sta bier met God," zegt vader Godfried rustig „Noem niet Gods naam - afgodist! De pest gaat uit van J<m en je soort. Baarlijke duivel.... kom op. Voor ons je spionnenbneven, je verradersgeld. Spinola zou lachen als we jou heten leven"

Maar onder het schelden moeten ze omzien, want de anderen zijn naar achter gedrongen, schuilen onder het luik bijeen kruipen de een na den ander de ladder op, stuwen en dringen^ om t eerst nu te ontvluchten, het dek op. Reeds rennen er boven naar de brug. Maar de twee musketiers springen toe stooten wachtenden omver en trekken vluchtenden terug, klauteren ze na en gooien boven de ladder om op de hoofden. Schreeuwen over het dek: „Verraad, verraad!" om de tweehonderdvijftig te roepen, schreeuwen: „Spinolanen! Jezuïeten. .. verraad!" Tot ze bij de brug, al de vluchtenden vóór, ineens inhouden. Juist wandelden hopman en vaandrig met hun drie gasten op het schip aan, en staan daar ontzet door net plotseling razen aan boord.

Boecop wenkt naar de schepelingen „niet verder".... Maar de hopman valt tegen hem uit: „Wat beteekent die oploop?»

van^? , £5 h°Pman- ^ ik lo°S> was *« om wille van de anderen, die bang waren door schoten uit den wacht-

••• U moet mij die leugen en m'n medereizigers dien

Sluiten