Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

angst en hun wegkruipen vergeven. Wij zijn geen soldaten, hopman, wij zijn schuwer voor 'n schot dan honden voor 'n zweep.... Overigens, die drieëntwintig kunnen geen kwaad, 'n handvol kooplui."

„Vuige papisten!" schreeuwen de twee musketiers. „Spinolanen.... 'n Jezuïet in 't ruim."

, .Duizend duivels!''

„Hopman, laat 't zoo zijn!" wuift de vaandrig luchthartig, „laat toch dat schip. Boecop dronk broederschap met u en mij

„Hopman," zegt toe Boecop, „ik gaf m'n reisgenooten m'n woord, dat ik insta voor hun leven. Vreest u verraad, neem

mij als gijzelaar . ik wil uw gevangene zijn, maar laat hen

ongestoord gaan."

„U zult door mij of m'n vendel niet worden lastig ge-; vallen," moet de hopman wel zeggen, beheerscht door de hooghartige nobelheid van den man naast hem. Hij roept de twee musketiers van boord. Die komen morrend. Maar Boecop werpt hun z'n beurs toe: „Ziedaar den tol!...." Ze rapen ze gretig van den grond. Maar de hopman gromt tot de twee: „Blijft bij den wal," en de vaandrig, die dat heimelijk bevel hoort, peilt de bedoeling van den hopman, die binnensmonds „Caub" mompelt, terwijl z'n oogen de twee valsch lichtend naar den overkant wijzen. De vaandrig verstaat. Daar liggen de Staatschen onder Duitsch bevel, aan hen zal het verdachte schip worden overgeleverd. Toch schudt de hopman ten afscheid Boecop's hand als een vrind, en hoort z'n dank even hoofsch aan als de ander ze in oprechtheid zegt. Naast Boecop stapt nu de vaandrig mee tot uitgeleide de brug op, maar tusschen het luid en luchtig vaarwel door, zegt hij:.„Houdt links met het schip. Aan den overkant, Caub

Sluiten