Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het schip met het witte zeil dwars door het water, dat nu bij zonsondergang purper en goud en groen van vloeiende edelsteenkleuren, een stroom lijkt van avondgloed, 't Schip schijnt in den gloor van lucht en water verheerlijkt. Licht en rustig wil het koers zetten naar de veilige plek, het eiland en Caub voorbij. Maar niet ver van 't schip schiet als tot spelen de roeiboot vooruit, door den hopman met de twaalf musketiers van de wacht bemand. Ook die boot en die mannen zijn omstraald en één met den gloed van alom.

De vaandrig drukt in 't overleunen de vuisten tegen de slapen, z'n hart jaagt met onrustigen slag. Gelukkig dat de verte en de hoogte, dat de kanteelen hem tegenhouden.... Wat zou hij willen ?.... Ook 'n boot, óók scheerlings over 't water, den zeiler opzij, en roepen: „Houd af van 't eiland!" de derde in dien wedstrijd en den verraderlijken kleinen

kliever vóór,om hem den weg te versperren. Maar hij kan

niets dan ademloos kijken. Waarom gunt hij z'n eigen mannen hun zege niet ?.... Zie, nu zijn ze bij 't eiland met den burcht; tien springen aan wal en twee roeien dadelijk voort op den Caubschen oever aan. De tien stellen zich op, schaduwen in den gloed, en nu de zeiler het eiland rechts bestrijkt, knetteren hun kogels over het water naar dek, zeil en roer en kijkgaten, weer en opnieuw tot het schip afzwenkt en het eiland langs de andere zijde voorbij wil.... Maar de kogels bestoken het opnieuw en drijven het waar ze verlangen, rechtdoor naar de Caubsche landingsplaats. En daar krioelen oever en nabije wijngaardheuvels reeds van aanloopend volk, alsof ze van elke hut uit den omtrek aanstormen. Zijn de twee roeiers geland met alarm? Ze loopen nu, zeker door het klein gespuis en de rabauten van den oever nagehold, naar de stadspoort. De vaandrig hoort gejoel over hetwaterverzwerven,verstaat

Sluiten