Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uwen dienaar, want al wat leeft wordt geenszins gerechtvaardigd voor Uw aanschijn" Dat is een van de psalmen

Davids, die wij ook bidden en zingen. Toen kwam 't in mijn

hart op, dat we toch kinderen zijn van één Vader Wij

zijn maar vrouwen, heer, en werden niet gehoord. Maar we hebben toch tusschen het schreeuwen door almaar „genade" geroepen. Is dat dan niet de leer van den Heiland, ons aller Heer: „Hebt elkander hef." We riepen voor dooven. We konden den moord niet tegenhouden. We konden niets, dan nu in den stillen avond hem komen wasschen en begraven."

„Goed, goed" knikt de vaandrig, die, terwijl de vrouw haar hart in dien woordenstroom uitstortte, aldoor naar het gelaat van den doode zag — zoo stil en lichtend is dat bleeke voorhoofd of de glans er van uitschijnt, die droomt over lucht en land en water. „Komaan, we begraven hem samen. Maar dan ook vlug! In Bacharach wachten m'n vrinden"

Hij neemt de schop van de vrouwen en begint het zand om

te delven Bad hij dien psalm ? Stierf hij als een martelaar ?

Misschien zal de Kerk hem zalig verklaren Ja, goed! Nu

het de Gelderschman niet is, kan hem 't geval eigenlijk bitter weinig schelen. Mooi! 'n Mensch voor 'n mensch. „Hebt elkander hef" zei dat oudje, dat was geen gezalf, dat was hartetaal. Natuurlijk, 't rijk Gods is liefde! Maar eer dat rijk Gods

het land en de lucht van de menschen is Ze woelen en

woeden in haat en moesten toch almaar liefde geven en geven en verspillen Zal 't ooit? Als elk voor zich 't maar probeerde. Als bij nu alvast deed wat hij denkt en begon

met dien paapschen martelaar, door gereformeerde vrouwen verzorgd, in z'n libertijnschen vaandrigsmantel te wikkelen.. 'n Kettermantel de lijkwa van een Jezuïet

Hij spreidt z'n mantel over het vertrapte gras — breed

Sluiten