Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

open — en neerknielend strijkt hij de plooien glad.... Nu blijft hij bij z'n uitgespreiden mantel. Z'n vingers streelen over de geelzijden voering.... Waarom moet hij ineens zoo denken aan dat laatste op de Laar ? Aan Fenne ?.... ach neen, alleen aan 't kind, aan Lijsje.... haar handjes in de zijne en z'n lippen op d'r zacht haar.... Hoe die Anna naar hem zag bij dat vluchtig ontmoeten van hun blik — tranen, tranen, zij en hij....

Waar zit hij verdoold ? Voetstappen komen er. Hij ziet op. Drie mannen naderen.

Twee blijven nu staan, maar de derde komt kloek op de vrouwen en hem toe, hoog en waardig — de heerscher.... toe Boecop! Aanstonds herkent hij hem en roept zijn naam. De ander staat stil met den blik naar den zijnen. „De vaandrig van Bacharach ? Ik ken u aan stem en taal"....

„Welkom doodgewaande!" lacht de vaandrig. „Geluk met uw behouden leven."

„Uw hopman heeft ons verraden."

„Zooals u 't noemen wilt. Hij deed niet meer dan z'n oorlogsplicht."

„Is de uwe zoo ook?"

„Tegenover u ben ik geen vaandrig van den Boheemschen koning, maar vóór alles Geldersch edelman. Als Geldersch edelman kwam ik van den overkant hier om den Veluwschen ridder te begraven. Maar ik vond een Duitschen Jezuïet, een paapschen martelaar, vroom bewaakt door twee kettersche vrouwen."

„Godfried Thelen, die daar ligt!.... Gemarteld"....

„Verscheurd en doorkorven, zeggen de vrouwen. Z'n bloed hep bij stroomen. Hij heeft gebeden tot het laatst. Wat ook ? Zeg 't den heer," richt de vraandrig zich tot de oude.

Sluiten