Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Den honderd drie en veertigsten psalm Davids, dien wij ook zingen: „Treedniet in 't gericht met Uwen dienaar.""

Toe Boecop is naast den doode neergeknield, en in de stilte zijn ook de twee anderen genaderd, knielen en bidden.

Als Boecop ten laatste uit z'n zwijgende gebogenheid 't hoofd opheft en luid voorbidt: „Laat mij in den ochtend

Uw ontferming hooren, want ik stel mijn hoop op U"

bidden z'n twee gezellen dat mede, en ook de vrouwen, met opgetogen blik, of ze iets wonders beleven.

De vaandrig staat met overeengeslagen armen luisterend toe te zien. Eerst als Boecop opstaat en hem zoekt, zegt hij zacht: „We zullen hem begraven. Ik dolf al een graf. En wilde hem mijn mantel tot lijkwa geven."

„Uw mantel z'n doodskleed, goed! Maar niet in ongewijde aarde en in 't land der vijanden het graf van een bloedgetuige."

„Weet u," valt de vaandrig hem levendig bij, „de bezetting van Caub en Bacharach trekt morgen verden den Rijn af om Spinola in den rug te bestoken. Als we uw martelaar

'ns zoolang in 't schip legden 't Ligt wel leeggeplunderd

en onttakeld — maar daarom ook vergeten."

„Ja, we zouden hem in 't schip kunnen leggen."

„En is u zelf veilig in 't Mainzer gebied hier vlakbij, stuur dan schippers om het te halen."

„'t Schip dus zijn lijkbaar, ginds z'n graf aan den voet van een der hoogaltaren, en een soldatenmantel z'n doodskleed."

„Dank, dat de mantel van een vaandrig der ketters niet versmaad wordt."

„'n Vaandrig der ketters, die zelf geen ketter is," zegt toe Boecop. Maar de vaandrig wendt het hoofd voor z'n doordringenden blik. Als hij weer omziet, heeft de ander een paarse stola over z'n wambuis gehangen.

Sluiten