Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moet intijds gaan, anders breng je er den avond mee. Toe,

Anna, ga 't kind in staatsie kleeden ja, ja, dat wil ik

vrouwe Margriet heeft haar 't laatst gezien op het doopmaal. Wat zal ze staan kijken van ons Lijsje! En jn' zelf, Anna, je bleumerante bouwen en de keurs met de kanten"

De twee zijn hand in hand al lachend weg. Vrouwe Catharina staat alleen met de kleurige tabberden, de tafel vol linnen

en kant, alle kasten en kisten open Ze zal 't zoo maar

laten tot morgen. Alléén kan ze toch niets Anna met dat

Loo! Alles zoo'n ernst bij haar. Op wie lijkt ze ? En Fenne dan? Van Fenne zegt de Otterloosche predikant, dat ze een

sterken geest heeft van Anna mag gezegd: een diep hart.

Maar op hun vader of moeder lijken ze geen van beiden. Karei wel, die is voluit het kind van Herman, en van haar is mooi

Lijsje In de twee anderen, daar zit te veel de tijd in —

de twee godsdiensten, de nieuwe triomfant, de oude in ver-, drukking, maar levend toch, diep en stil

„Zie je wel," breekt vrouwe Catharina haar eigen gedachten af, „de eenzaamheid doet me aanstonds tobben." Ze sluit de slaapkamer, en buiten trekt ze den grooten sleutel der gangdeur uit het slot om hem bij de andere aan haar zilveren middelketting te hangen. Zij zal bij Brecht in de stove gaan naaien, toezien bij het strijken en klanderen

□ □ □

Sofie van Isendoorn heeft Anna meegenomen naar de met zijden en fulpen kussens belegde bank in den hoek^erker, en de vrouwe van het Loo nam het kleine meisje bij zich naast het borduurraam, waar ze nu twee toekijksters heeft bij haar vlug naaldgetoover — ze werkt op wit satijn de krmsameming voor een koorkap — naast haar zoekt hun. gast, Anna van

Sluiten