Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ziet. Wel is de tocht door 't bosch — meestal met Lijsje hand in hand, niet in maar naast den draagstoel — heel kalm geweest. De dorre bladers ruischten onder haar voeten. De zon nevelde tusschen de stammen. Zij hoorde de stilte noch de eigen herinneringen door Lijsje's gebabbel. Enkel de blijheid bleef haar doorzingen, zoo nieuw, heelemaal voor 't eerst, en alleen getemperd door haar verwondering: „Wat hoop ik toch?" Zoo kwam ze hier de kamer binnen. En meteen schrikte ze op in een nooit gevoelde verwarring, toen ze plots voor Hendrik's broer stond. Ze had geen woord voor hem, en haar gezicht wordt opnieuw warm, nu ze bedenkt, hoe ze 't hoofd blozend afwendde, toen hij haar zoo trouwhartig de hand toestak. Z'n gezel werd haar kortweg Willem Simonz genoemd. Nu onder Sofie's druk gepraat haar blik naar hen beiden afdwaalt, ziet ze dien ander eerst. Is bij met z'n gebruind blozend gezicht en in z'n eenvoudig zwartlakensch wambuis een Loosche pachter ? Maar Elbert

praat met hem als een vrind Vreemd: de eenebroer lijkt

niet op den anderen, maar toch iets in Elbert's donkeren oogopslag, dat ook Hendrik had.. * Z% luistert naar Sofie en antwoordt wel. Maar een angstig verlangen waakt in haar hart, of ze niet Hendrik's naam zal hooren. Ze moet het verwinnen.

Ze is immers niet hier gekomen om opnieuw te mijmeren

God weet dat.

„Zooveel maanden ziek geweest?" vraagt Sofie. „En niemand van ons, die 't heeft geweten!"

„Juist 'n jaar geleden begon het. Maar ik herinner me van dien eersten tijd niets, 'k Zou al vreemd de eeuwigheid zijn ingegaan."

„Je bedoelt zonder biecht of bediening. Zooals' meer dan dertig jaar alle Veluwnaars. Gelukkig zal 't anders worden."

Sluiten