Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die zich over den Heidelbergschen catechismus moet bukken. Fenne doet wat ze kan, om haar goed in de nieuwe leer te bevestigen, eer ze naar Ommen gaat.... Zou haar liefst meenemen"....

„Bang voor jouw invloed ?.... Hoe gaat dat toch, jij alleen tusschen heel je familie?"

„Och, eigenlijk enkel Fenne, die 't onze echt haat."

„Maar zij gaat weg."

„Dat geeft me wat hoop voor de Laar...." „Zoo hoop ik voor de Veluwe."

„Tot er de kathedraal komt, waarover m'n moeder 't had," vertelt Anna lachend.

„Mochten wij vast de allereerste steenen voor de fondamenten aandragen."

,,'t Zou veel zijn."

Maar er is gerucht bij de deur. Allen zien op. De lakei, die den voorhang ophoudt, kondigt heer Marten van den Cannenborg aan. Maar hij is 't niet die het eerst binnenkomt, 't Is een veel jonger man, grooter nog dan hij, hoog en donker.

Vrouwe Margriet gaat waardig en verwonderd den vreemdeling tegemoet, die het hoofd ontbloot en zwijgend buigt, nu heer Marten hun namen noemt.... „Arent toe Boecop."

„Zutfenaar dus?"

„De eenige zoon van Derk toe Boecop's weduwe, vrouwe Eijfje van Wijhe."

„Maar dan is u 't — zij zelf vertelde me dat — die tien jaar geleden, na uw Leidsche studie, naar Trier ging en daar in 't Jezuïetenklooster bleef."

„God zij dank ja, ik ben die Jezuïet!"

„Niet zoo luid en ronduit," waarschuwt heer Marten,

Sluiten