Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telt. Hij kwam uit Mainz den Rijn af — „de oevers bezet met oorlogstroepen." — Wat weet hij van Hendrik? Ach,

dat toch Elbert nog eens vraagt, wat zij niet kan of durft

de vraag, die haar hart opjaagt dat het bonst, zooals dien middag vóór haar ziekte Waarom vraagt Elbert dan niet?....

hoe wit en strak is z'n gezicht, z'n oogen zoo star naar den verteller. Ze ziet het, hij wil maar durft niet vragen: „zeg dan toch, zeg wat u weet.'' Hij durft niet, omdat z'n vader daar zit, stroef, donker zwijgend.

„Zoo groot is de haat. Naar Caub gedreven met musketvuur, en daar 'n steenenregen van de wijnbergen toch er

gevlucht met drieën, verscholen tusschen de volle druivenstokken. Toen we 's avonds aan den Rijnover terugkwamen, vijf neergeschoten en begraven, één neergeschoten, gekneusd en gekorven, die daar lag — Godfried Thelen, m'n ordegenoot, 'n martelaar.... maar hij lag niet onbewaakt"

Toe Boecop stokt en ziet vragend heer Marten aan, die stug knikt en tegelijk het diepbukkend hoofd in de groote handen verbergt.

Tot Elbert wendt zich de verteller, stiller „Er stond

'n vaandrig van den paltsgraaf-koning bij den martelaar. Ik had hem 's middags te Bacharach ontmoet. Hij was dadelijk m'n vrind, toen ik zei Geldersch edelman te zijn. Want

hij ook"

„Hendrik!" stoot Elbert uit. „Hebt u hem meegebracht, heer toe Boecop?"

„Jammer genoeg het hij zich niet meenemen. Liever onbesuisd voortdollen den oorlog in. Hij heeft me z'n naam niet anders dan Maarten van Rossem genoemd. Maar in Zuften werd me bevestigd, wat ik raadde.... 'n zoon van den Cannenborg."

Sluiten