Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van z'n gezicht achter het houten lofwerk van het luikje. Ze maakt een kruis. Ze heeft geen woorden. Ze had alles willen overdenken van twee jaar lang, en vond of zag weer niets dan alleen den éenen, niets dan tranen om hem. Ze moet spreken, en weet niets, dan dit ze zegt het, en dan ineens alles, alles over hem en zich zelf, over de vreemde macht, die haar ziek maakte en bijna sterven deed, over het

hoopvol herleven daarna „en nu ineens, sinds ik door

u hoorde, waar en hoe hij leeft, een pijn die ik niet kan doorstaan en dat is afgunst, en wanhoop, en toch hef de."

Haar geprevel vergaat, en zóó schaamt ze zich om dit vreemde biechten, dat ze haar hoofd verbergt, dieper en dieper zou willen neerglijden.

Maar hoor, de andere stem is nu aan 't spreken, langzaam en kalm. Ze houdt den adem in om te luisteren.... „Het allereerste begin ?" vraagt de stem. — ,,'t Was zoo gelukkig," vertelt ze mild. ,,'n Avond lang, een morgenuur. God zelf moet 't haar in 't hart hebben gestort. Maar dan werd het of er een tweede leven in haar was ontwaakt, 't Oude ook nog. De twee in eindelooze worsteling. Ze konden niet één worden en tot rust komen. Bijna stierf ze er van. 't Leven kwam terug, omdat ze ondanks alles weer hopen kon, dat het geluk toch zou komen. In plaats is er nu ineens verdriet als nog nooit, 't Mag niet, maar het doorstormt haar. Haar hart zal 't niet verdragen, haar geest niet"....

„God is er toch en Zijn genade!" troost de biechtvader. „Alleen wanhoop is de dood. Ze moet bidden, al doet het pijn. Nooit ophouden, al schijnen 't haar maar leege woorden. In Gód blijven. En dan zal komen, wat Zijn wil is. Want deze liefde en dit lijden van haar hart, sterker dan alle overdenking, die -'t dwaasheid zou noemen, kan niet vergeefsch

Sluiten