Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, we komen samen. We zullen Anna waarschuwen met

bode en brief ook als er weer Mis op 't Loo zal zijn,"

overlegt de gastvrouw. „Er is wel 'n boodschap te verzinnen, -v** ^ die niemand verstaat dan zij."

„Zoo ga ik hliefJh 't dorp en in Vaassen rond, om de geloovigen bijeen te roepen," vertelt Sofie.

»Ja, gij, vrouwen, wordt bij de weergeboorte der Kerk wat de "Diakonessen waren in den eersten Christentijd," zegt toe Boecop 't laatst, en als hij Anna de hand drukt, herhaalt hij: „Wat 'n heerlijke levenstaak." Bij dat woord voelt ze weer,' dat ze nu kracht en moed zal hebben. Sterker dan 't verdriet, zal ze 't voor den éénen en voor allen aan God opdragen, *n'winnen door lijden.

„Ik voelde me hier meer thuis, dan in m'n eigen huis," zegt ze "nog tot %ouwe Margriet. Sofie en Elbert gaan mee tot op 't plein, waar de drie Laarder lakeien bij dè litière wachten, één met de lantaarn. Lijsje, weer goed wakker, klapt in de handen: „Er in, en niet meer er uit zooals vanmiddag!" ,,'t Is anders benauwd in dat doosje," lacht Anna. ,,'t Zou te donker en te kil zijn om te loopen." ,,'k Zou van den avond niet veel merken, Elbert," en als hij "haar wat verward aanziet: „te veel goeds neem ik mee van 't Loo."

„Ach, goeds?" vraagt hij treurig, en ze denken aan den éénen, zoeken wel nog 'n woord over hem, vinden 't met

„Kom nu heel dikwijls terug," dringt Sofie, en ze trekt de kap van Lijsjes mantel warmer dicht.

De lakei staat roerloos met de geheven lantaarn. Elbert sluit het deurtje van glas en verguldsel. De knechten nemen den stoel op. De lantaarndrager gaat links, zoodat het licht door het koetsje heenschijnt over de dicht aaneengeleunde

Sluiten