Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iets van de zucht, die den ander^trok en'dreef? Maakt dit hem zoo diep bedroefd, waar hijfhier loopt in den avond, naast dien somberen man, die zijn hartzeer in norschheid wil verloochenen? Niets meer, nooit iets van alles wat er in hem klaagt, kan hij hem zeggen. Waagde hij 't nog, dan begon tusschen hen opnieuw de strijd: „Ga naar Leuven — ik wil 't, en je doet 't niet," en achter dien drang, 't altijd onuitgesprokene: z'n vaders hoop op z'n priesterroeping.

„Zullen we 'ns naar Zutfen gaan, vader? zooals heer toe Boecop vroeg."

„Je kunt gaan, zeker."

„Maar u?"

Zwijgen is weer 't antwoord.

Als eindelijk het huis log schaduwt in het donker, wordt Elbert nog bedroefder. Tranen schroeien diep achter z'n strakke oogen. In hem is niets dan pijn. Nu is er de brugleuning om op te steunen. Ze komen binnen. Z'n vader verdwijnt in de hal met den knecht en 't licht. Hij blijft in 't voorhuis op de bank gezonken. En ach, waarom kan hij toch niet schreien? Kwamen toch de tranen. Zelfs zich bewegen kan hij niet — star en dood zit hij neer. Is hij aan 't óndergaan? Omdat hij de neerdrukkende somberheid van 't huis en van z'n vader niet langer kan dragen.... Want huis en heer

lijken op elkaar in hun verborgen donkere kracht en ze

maken hem een zwakkeling. Hij moet oppassen — niets zou er van hem overblijven, 't Is toch al zoo bitter weinig met hem. Alleen 't woelend getob-nog. Toch, heel diep, ook dat

verlangen naar een hart, dat 't zijne verstaat Da's wel het

laatste van z'n jeugd, diïf hoop, ooit een vrind te vinden.

Iemand, die hem redt Eén, die zelf weet wat eenzaam

lijden is Dat weet Sofie niet, die haar moeder heeft en

Sluiten