Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik heb al maanden gemerkt, dat het zóó niet langer kan

hiér 'k Wil niet, dat je je leven opoffert aan mij Nee,

zwijg nu. Luister. Bereid je voor om in 't voorjaar naar 't Zuiden te gaan. In Mei zal ik de gast van je tante, Anna van Steenbergen, trouwen"

Ze zien elkander star aan. Zult u ?" stamelt Elbert.

„Ja, zal ik haar als m'n vrouw op den Cannenborg brengen," herhaalt heer* Marten nadrukkehjk. „Je zelfverloochening waardeer ik.... je loon ervoor zal zijn: de gelukkige vervulling van je roeping ... waarvan niets je meer tegenhoudt."

„Ja maar, vader"....

„Aan mij hoef je niet meer te denken, en aan ons geslacht evenmin. Je zult niet de laatste Isendoorn blijven".... ,Daar heb ik nooit aan gedacht"

"Goed dan, goed.... Je aanstaande tweede moeder vroeg dit halfjaar tot voorbreiding. Ik heb haar alles gezegd van ons. Ze is een vrome vrouw, — dankbaar een levenstaak te krijgen, die God haar toewijst, zooals ze zegt."

„Ja vader. — Ik wensch u geluk."

„Besteed dus den winter aan voorstudie. Willem Simonz heeft wel boeken voor je." .

Elbert zwijgt. Hij zou 't liefst voorover het gezicht m de handen verbergen, weg onder z'n vaders oogen. Maar hij zit bewegeloos en ziet hem aan. Even diept z'n vaders blik in den zijnen

„Ik kan niet" stoot hij uit.

„Wat kun je niet?"

„Gaan".... , .

Ik wil het — daarmee uit," zegt heer Marten, barsch •m drift beheerschend. „Je zult hier weg! Niet langer een

Sluiten