Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreken weggaan. Jullie zïjn al te gesloten tegenover elkaar." „Alle vertrouweüjklieid botst af."

„Nee, nee.... zeg dat niet," weerhoudt ze hem bang, bijna heftig. Verschrikt zwijgt hij. Maar als had ze spijt, legt ze hem dé handen innig op de schouders.

,,'k Wou zoo graag echt een moeder voor je zijn.... En 't zou wel gaan, jij en ik . zoo jammer, dat je weggaat."

„Jammer ja, juist nu...." Elbert blijft steken, bedenkt dat zij op den Cannenborg gekomen is, omdat hij zou gaan. Weet ze dat ? 't Doet hém pijn dit te bedenken, nu hij zoo haar handen voelt en haar teedere oogen.... Waarom die pijn ?

„Je hebt geen vroohjke jeugd gehad"....

„De Cannenborg en vroolijkheid ?"

„Hoor 'ns," onderbreekt ze ineens levendig hun verdróeving, „vader en ik komen juist van 't Loo. Je moet morgen mee. We gaan naar Zutfen, naar pater toe Boecop's Mis. Met den wagen tot 'n eind vóór de stadspoort. Jou erbij, zes pelgrims. Want ook Anna van Delen" .

„Anna.... och!" en als z'n stiefmoeder hem bij dien uitroep verwonderd aanziet, verklaart hij: „Wat zal dat 'n geluk voor haar zijn!"

„Ze is sinds vanmiddag bij Sofie blijft 'n poos. Thuis

schijnt ze nu vrijer te zijn, sinds de oudste getrouwd is.... Maar laat ons gaan eten, vader wacht."

Hij staat op, en ze neemt z'n arm. Door de zaal praten ze voort over 't Zutfensch plan: „We gaan vóór dag en dauw natuurlijk." — „Heerlijk door den morgen." — ,,'n Feest, ja! En we zullen vóór den noen terug zijn. We vroegen de Loosche dames ten eten."—„Dus heel de dag 'n feestdag." — „Voor je afscheid." — „Dat des te moeilijker zal vallen."

In de hal talmen ze bij Hendrik's Moeder-Godsbeeld.

Sluiten