Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook z'n bidstoel staat ervoor. Sinds gisteren. Vrouwe Anne bet dien van z'n uitgestorven kamer halen. Ze kijken naar de lantaarn, waarvan door den gulden Mei-schemer een diepe gloed uitgaat.

Elbert voelt de hand warmer op z'n arm. „Goed, dat licht hier. 't Waakt en bidt. 'n Beetje het hart van den Cannenborg."

„De vonk van hoop in dat hart," mijmert Elbert. Hij voelt zich jong en blij naast de vrouw, die z'n moeder wil zijn. Z'n stap is lichter, en ineens vindt z'n gebaar een gratie als nog nooit, nu hij de deur der eetzaal voor haar openhoudt Langs hem gaande heft ze den blik dankend naar hem op.

„Moeder en zoon", verwelkomt heer Marten, zich afwendend van het raam, waardoor hij in de Vogelhegge stond te kijken. Elbert voelt hoe z'n stem vergeefs naar mildheid zoekt.

Bij den disch zit Elbert aan het ondereind met z'n gezicht naar het venster. Door de open bovenkaken komt de schemer en de boschgeur zoel en hartsterkend. Vrouwe Anne praat over morgen.

„'t Is een,waagstuk," drukt heer Marten hun blijheid neer. „Ik vrees, dat we verkeerd doen met zoovelen te gaan. We zullen toe Boecop in ongelegenheid brengen. De achterdocht is verscherpt, sinds de Mom en Botbergen met Tiel het spel bedierven."

„We moeten natuurlijk niet allen gelijk op 't huis toe gaan," zoekt vrouwe Anne raad. „Liever met tweeën, of ieder alleen — en door verschillende straten — bij tusschenpoozen."

„'t Is nog geen maand geleden, dat de Tielenaars in Den Haag onthoofd werden," gaat heer Maarten voort, zonder acht te slaan op wat ze zegt.

„Toch met protest van de Geldersche Staten," waagt Elbert.

„Protest, ja, in 't begin, omdat ze hun rechtsprivilegiën

Sluiten