Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze hem beduiden wil: „Zég nu, wat je me straks zei." Maar hij schudt weifelend het hoofd. „Rijdt u morgen een end met me mee, vader ?" vraagt hij na een poos.

„Goed. Maar niet verder dan 't bosch uit. Je moet voortaan alléén je weg zoeken."

„Dat zal ik".... en bij mijmert hoe hij bij den rand van 't bosch, op 't allerlaatste oogenblik dus, zal zeggen: „God

moet het uitwijzen, of ik mag worden wat u hoopt"

Zou 't zoo gaan ? Vlak voordat hij voorgoed de verte inrijdt ?— Vreemd, al dit getwijfel en overleg om dat ééne woord aan z'n vader te zeggen. Hij, die zonder bedenken zooeven aan vrouwe Anne ineens heel z'n hart uitzei. En was hij nu met haar alleen, hoe gereedehjk zou hij praten over alles wat hem door de gedachten vlot.... echt als met een moeder ... Eén ding alleen zou hij niet durven aanroeren, wat hem toch ook bezig houdt:.... of ze bij haar komst als vrouwe op den Cannenborg nog een ander verlangen had dan enkel opoffering ?....

Droomerig ziet hij naar haar. Ze is mooi. Blank in het zwart fluweelen kleed met den witten kraag, 't Rosbruin haar doet 'r nog bleeker lijken, brozer voorhoofd en slapen. Telkens beweegt een blos over haar gezicht. Doet haar dit zoo jong schijnen ? Of komt het door den vlóeienden milden gloed van haar oogen?Ze is in haar teere blankheid als een lelie, een zachte lichtschemer altijd om haar een. Uitstraling van haar ziel ? Is dit eigen aan stille vrome vrouwen ? Om die andere Anna leeft het immers juist zoo Is dit het licht, dat schilders om 't hoofd van heiligen zien ? Van 't voorhoofd en uit de oogen waast het, om de rustige handen.... Een naam kan hij't niet geven. En toch is 't er wezenlijk, en niet de droom van z'n eigen oogen, die uitgaat naar die teederheid....

Sluiten