Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Mei-avond waart hem aan, z'n lippen proeven den zoelen boschgeur. In hem komt een pijn, alsof z'n hart één open wonde is.... Z'n handen vouwen zich ineen, en hij weet met meer. J

„We gaan bidden." Z'n vaders stem doet hem opzien Hij voelt hun beider blik verwonderd. Stil volgt hij hen oplevend tot verlangen naar dit nieuwe gebruik, door vrouwe Anne gisteren ingevoerd.

In de hal schemert nu enkel nog de groenige schijn van de lantaarn - de hoeken zijn. duister, aan de wanden gloort vaag het dof goud der portrethjsten. De vrouwe gaat naar den bidstoel voor het beeld en neemt de altaarbël van het kussen t Viervoudig geklepel door de wanden weerklonken vult de hal met blijden klank. Niet lang, of uit de deur der zijgang komen de oude Cannenborgers, eerst Daam, heer Marten's hofmeester met in elke hand een grooten kandelaar. Als hij dien met de brandende kaars naast z'n meesters en Elberts voeten zet, knielen zij beiden neer, en bladeren in het getijdenboek, dat vrouwe Anne hun toereikte. Met Daam zijn z'n vrouw Aagte en hun twee dochters gekomen, de stalknechts de hovenier, en zelfs de molenaar van achter de Vogelheeeé met z n drie kinderen is er, zeker door de anderen geroepen naar dezen nieuwen avonddienst. Allen knielen achter hun meesters, zooals dezen aanstonds opgenomen in aandacht nu de vrouwe begint met helder doortonende stem, even dieper soms, als ze naam of smeekwoord inniger bemijmert. Ze leest den aanvang der Completen. Heer Marten en Elbert antwoorden gebukt over hun boek.

„Mijn broeders, weest matig en waakt, want de vijand simpt rond u heen, zoekende wien hij zal verslinden. Weerstaat hem door trouw te blijven aan uw geloof "

Sluiten