Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan volgen de psalmen tot aan de hymne, waarbij de twee mannenstemmen met de vaste hooge vrouwenstem samenklinken:

Te lucis ante terminum Rerum Creator poscimus, Ut pro tua dementia Sis praesul et custodia....

Bij dien zachten zang zint Elbert over dat: „Ver van ons blijven de drdgende droomen en de geesten van den nacht; boei onzen vijand, opdat niets de reinhdd van ons lichaam

besmette" Maar als 't komt aan: „Danken wij God,"

antwoordt vanavond reeds hed de dienaarschap: „Heer,in Uw handen beveel ik mijn geest." — Bidt de vrouwe: „Bewaar ons, Heer, als den appd, der oogen," weten zij: „Bedek ons met de schaduw Uwer vleugden." — Dan is 't heer Marten, die Simeon's lofzang zegt, en na de antifoon weer allen samen de bede voor zegen over het huis, „waar Gods Engelen mogen wonen, om allen in vrede te bewaren." Na heer Marten's B e n e d i c a t en een stilte, staan ze op, mompelen een nachtgroet. Ingetogen verdwijnen de oude getrouwen. Elbert ziet ze na en begrijpt hun stemming.

„Eigenlijk moesten we weer een huiskapel op den Cannenborg hebben," zegt vrouwe Anne.

„Eerst de Cannenborgsche priester en dan de kapel." Heer Marten ziet z'n zoon diep aan bij die ongewoon hartelijke woorden, en er valt een stilte, als wachtte hij de bdofte. Maar Elbert buigt het hoofd weg. 't Oogenblik gaat voorbij.

„God geve ons priester en kerk!" redt vrouwe Anne de hoop.

„En benoude voor ons huis Zijn Engelen en Zijn vrede,"

Sluiten