Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Offer meelevend, verwonderd bij 't eigen Deo Gratias van het einde.

Even duurt nog het nabidden, en als ze dan in 't sacristiehokje terug zijn, staat Boecop dadelijk in star opletten te luisteren, legt dan haastig de paramenten en de toga af, en wenkt Elbert mee. Ze dalen langs een smalle donkere diensttrap, die in het achtergedeelte van het huis uitkomt. Toe Boecop is nu weer in edelmansdracht, zwart fluweel met platten kraag. Hij praat luchtig over verzen van Bredero, over muziek van Sweelinck; en Elbert poogt z'n zorgeloozen toon over te nemen, talmt doorpratend met hem in de gang, als onwillekeurig Maar ze letten op, hooren harde stemmen buiten,

zien den metselaar tegen den wand leunen, ontdaan en veelbeduidend wijzen met z'n blik, zien voor de open straat- en zijdeur een drukke beweging van soldaten met musketten en hellebaarden. „Waarschuw boven," mompelt toe Boecop, en Elbert ijlt de trap op, staat boven ademloos nog even te luisteren, hoort zware stappen door de gang; kamerdeuren worden opengerukt, barsche stemmen vragen. Binnen grendelt hij de trapdeur, en in de kapel heft hij achter de Communiebank de handen en roept dof: „Onraad! 't Huis is overrompeld!"

De biddenden zien elkaar onthutst aan, dan dringt het tot hen door, ze springen op, dringen toe, vragen verward. Hij weet niets anders. Ja, heer toe Boecop is beneden. Maar, soldaten voor 't huis en in de zij-steeg, al met velen binnen

't Is z'n vader, die zich door de verwarring heendringt en vastberaden hem voorbij naar het altaar gaat,—het tabernakelkastje opent en de ciborie met de overgebleven heilige Hosties er uitneemt. Even knielt hij ervoor neer en draagt ze dan met gebogen hoofd, als een priester, de sacristie in, waar hij zich

Sluiten