Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vóór de trapdeur stelt met den gedekten gouden kelk in beide handen aan 't hart geheven.... Medler en Doomenburg zijn • bezig de kandelaars te verbergen, de vrouwen vouwen de dwalen op, Stepraedt en de meisjes schuiven de bidbanken naar den muur, — alle aanzien van een kapel moet weg Waar ze dan zich zelf moeten verschuilen, weten ze niet. Saamgegroept staan ze ontsteld te luisteren. - Elbert en Hackfort van de Horst bewaken bij 't altaar pal de gesloten deur naar de sacristie. Niemand durft bewegen of spreken. Ze houden den adem in. Elbert voelt z'n moeders oogen telkens bangvragend op hem rusten, weet, dat ze in angst aan z'n vader denkt, die gereed staat het Allerheihgste met z'n leven te verdedigen. En als er voetstappen dreunen op trap en gang deuren open- en dichtslaan, moet hij haar wenken te blijven.... want ze wil met de handen tegen 't hart weg tusschen de vrouwen, naar hem

• „V ziet, dat soldaten hier allerminst noodig waren Ik herhaal 't: ten onzent is niets of gebeurt niets, waarover ik me te beschuldigen heb." 't Is toe Boecop's stem, vlakbij op de gang, opzettelijk luid en doordringend, om zich verstaanbaar te maken tot in de kapel. Zij allen hooren 't als een geraststelling, en weten hem daar nu als een wachter met z'n hooge gestalte den ingang verbergend.... 'n Andere 'stem heeft het antwoord gegromd. Voetstappen gaan heen.

Hier binnen verademen ze, zien elkaar bemoedigend aan maar blijven stil als te voren. Eerst na lang hooren ze iemand komen, en aanstonds toe Boecop: „Doe open, ze zijn weg."

Als binnen allen zich naar hem toewenden, begint hij in de schaduw bij den ingang te vertellen.... „*t huis vóór en m de steeg door hellebaardiers bezet. De kapitein van de stadswacht en de hoofdschout kwamen met een patrouille

Sluiten