Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Loop het dorp in, of Willem Simonz bij z'n ouders is.... 'n priester, 't Oliesel.... gauw dan, gauw!"

't Is zijn vader, die hem voortdrijft. Radeloos rent hij door de lanen, bonst aan vader Simonz' schuurpoort, en rukt ze open, tast blind in't halfduister naar de zijdeur van het woonhuis....

„Heer Willem"....

„Jonker toch? wat is er ? Willem is weg, naar Heerde".... Hij staart het verschrikte vrouwtje verbijsterd aan. „Wat is er gebeurd?" krijt ze nogeens.... „Bij ons.... m'n moeder"....

„De nieuwe vrouwe van den Cannenborg? Ziek? Gevaar?"

„Ik weet niet!" stoot hij uit, en is weer buiten.

Heerde? er heen rijden? Zinnend naar den weg weet hij .. „Te laat.... toch te laat.... te ver." Hij keert om en loopt terug, struikelend ten laatste over eiken steen. Z'n adem beklemt, en als hij niet hier tegen dien boomstam, zoo, bier

rusten blijft, dan zal bij ook neerslaan Hij staat en staart,

weet niets meer van tijd of gebeuren.... weet alleen, dat z'n hart jaagt en jaagt....

Op den Cannenborg terug, vindt hij in de hal Sofie en Anna, de vrouw en dochters van Daam, bidden bij de doode als slapend uitgestrekt op het rustbed, dat onder beeld en lantaarn is opgesteld, 'n Oogenblik staat hij op 't kalm opgewend albasten gelaat te turen, op de saamgelegde fijne handen, die een klein zwart kruis houden. Dan wendt hij zich af met een ruk en schrikt van z'n eigen opstandigheid. Zonder te weten, doolt hij naar de eetzaal en vindt er vrouwe

Margriet en z'n vader aan de ontredderde tafel.

„Is daar Willem Simonz ?" Z'n vader heft zich op, hem tegen.

„Hij was weg"....

„Zoo moeten we sterven en begraven worden als heidenen!"

Sluiten