Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De boschschemer is groen-donzend om hen heen en de zoete zoelte over hun voorhoofden. Ze worden stil in de verteedering van het avonduur. Anna loopt in 't midden Ze ziet naar de beek, die het laatste licht uitglanst, ziet naar de boomen en de verschemerde wegjes.

„Dit is nu de Vogelhegge," zegt ze, en de verinniging van haar stem vindt in Elbert den weerklank: „Ik hou van de Vogelhegge." — En zij weer: „Nu zie ik ze dan — ik hoorde er als kind zoo dikwijls over." — „Als kind?" — „Hendrik vertelde dan van vogelnesten en visschen hier." — „Hendrik — ja, die was als jongen in de Vogelhegge of op de Laar, nooit bij ons." — „Zou hij nog ooit.... ? prevelt Anna. — „We weten niets meer van hem." — „Wat hard!" — „Hoe vader dit nieuwe leed nu ook nog dragen zal — 'k weet het niet — en dan moet ik zelf z'n kruis nog verzwaren." — „Wat meen je?" — ,,'k Zou immers naar Leuven gaan — hij hoopte, dat 'k er priester werd. Maar ik ga niet naar Leuven." — „Om hem met alleen te laten?" — „Natumhjk. Maar ook, omdat' het toch m'n roeping met is priester te worden. Ikweetdit nu zéker-" — .„Nu ineens?" — „Ja, misschien terwijl we hier loopen." — Hij ziet schichtig naar Anna, ze kijkt weg, weer denkend over iets anders. Hij klampt de handen op dén rug vaster ineen, de nagels in de palmen.... Hij is bang den drang met te kunnen weerstaan en ten laatste toch haar hand in de zijne te nemen.... Hij wü haar niet verschrikken, — hij zal alleen — en dat mag — heel stil zien, hoe ze mijmerend naast hem voortgaat met een vreemden teederen droomlach m de oogen, — naast hem en toch zoo vèrweg? Hoe kan dat?

Zelfs Sofie verdroeft in zwijgen. Bang wandelen ze terug naar het verschemerde huis.

D □ □

Sluiten