Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vroeg op z'n kamer begint Elbert bij 't licht der kaars, kalm en vastberaden z'n koffers leeg te pakken — legt alles terug in de kasten. Dan knielt hij tot z'n avondgebed, dat hij woord voor woord nadrukkelijk fluistert. Er is een vreemde helderheid in z'n hoofd, een sterke rust in z'n hart. ,,In Uw handen beveel ik mijnen geest" zegt hij 't laatst. En hij voelt zich veilig, z'n levenslot bestemd, 'n Heilige is hier komen sterven, om het me te leeren", denkt hij, „haar moederkus blijft een genademerk op m'n voorhoofd. Ze heeft me doen ontwaken tot m'n roeping, die enkel liefde moet zijn, zooals, zij in dit leven de hare droomde"....

Hij ligt met gevouwen handen, voelt, dat zoo denken aan haar, die kwam te sterven, bidden is, dat alle droefenis van heden en alle zorg van morgen wegneemt.... „Dat Uw Engelen wonen in dit huis, óm ons in vrede te bewaren".... en insluimerend droomt hij voort over de andere Anna, is weer met haar in de Vogelhegge, waar de avond daalt.

Sluiten