Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijksdaalders! Ik heb gezworen, dat ze hun plicht zullen doen en loopen moeten om nooit meer stil te staan, —loopen naar alle wereldeinden om de leus te verkondigen van hem, die ze redde: y,Gottes freund und der Pfaffen feind!" Aan 't werk! Wie zich verzetten, priemen de vijfhonderd als ratten aan hun lansen!

Daarop trekken de twaalf naar de taverne, en met den avond komen de straten vol rumoer, want de duizend blijven niet buiten de poort in de tenten, al staan de vijfhonderd pal voor de Munt, waar heel den nacht de smeltovens vlammen en de hamers slaan. Munster is zonder slag of stoot voor den hertog. □ □ □

Met volle zakken dragen de munters de rijksdaalders den volgende morgen naar 't Brunswijksche kamp, bang hun woede verbijtend voor de begeerig loerende strabanders. Aanstonds is Christiaan kwistig soldij aan 't betalen, en ook de kapiteins krijgen de tasschen vol apostelrijksdaalders. Hendrik legt de zijne op de vlakke hand en bekijkt met aandacht devies den beeldenaar: een hand met blooten degen uit de wolken. Dan keilt hij ze één voor één tusschen het Munstersch gepeupel, dat in en om het kamp staat te hunkeren. Die grabbelen gretig en joecheiend naar de aalmoezen en rollen vechtend over den grond. Als hij den laatsten apostelrijksdaalder 't verst over het kluwen grabbelaars heengooit, hoort hij verwonderd z'n eigen gedachte: „Moeder, voor de

rust van uw ziel" als een verholen schietgebed, en tegehjk

doorduizelt hem iets duisters, dat z'n hart zwaar blijft maken nog als hij voortrijdt met de vlag tusschen den troep. Die is alweer dichter en kriöelender geworden. Want al het toegeloopen Munstersche straatvolk trekt mee. „Gottes freund!" joelen ze naar Christiaan.

□ □ °

Sluiten