Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met ons tweeën. Want Lijsje ging liever met mij mee, dan met vader en moeder naar Ommen, Fenne's tweeden zoon ten doop houden."

„Fenne's huis is net 'n vogelkooi," praat Lijsje wijsneuzig haar moeder na, „en die kinderen zijn daar veel te klein om mee te spelen. Op 't Loo is 't veel prettiger."

„En 't mooist van al op 't Loo — zeg 'ns ?"

„De kapel natuurlijk."

„De aantrekkingskracht van 't Mysterie," prevelt Elbert, opziende naar Anna, die zoo bhj 't kind dat antwoord ontlokte.

Maar Sofie vindt, dat ze liever moeten beraadslagen. „Zullen we met ons vieren er aanstonds op uit gaan ? Naar de hei en over Apeldoorn terug; de lui bij elkaar roepen; willen we met de ar?"

„Nee, nee — wandelen," verdedigt Elbert z'n plotse blijdschap.

En Anna: „Arrebellen bij die hutten?"

„Ja, da's waar," stemt Sofie toe. „Gelukkig kunnen we de arme stumperds vandaag wat beters brengen, dan den klank van onze vroolijke bellen."

„Iets van wat de Engel aan de herders bracht „ik boodschap u groote vreugde, die voor heel het volk zal zijn,'' mijmert Anna, en Elbert vult aan: „Dat u heden een Zaligmaker is geboren, Christus de Heer"

Als Lijsje's schaatsen zijn afgebonden, gaan zij vieren, opgewekt door het nieuwe doel, pratend en lachend naar de torenkamer, waar vrouwe Margriet dadelijk haar borduurwerk vergeet, vól van 't vooruitzicht. „Dus tóch ?.. ja maar, dan".. Ze is als haar dochter dadelijk bezig over wat er gedaan en gezorgd moet worden. Maar 't slaat terug in twijfelende bang-

Sluiten