Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid. „Als ef maat niets tusschenkomt! Sinds dien overval in Zutfen en Anne van Steenbergen's dood, ben ik nooit meer gerust En sinds ze toe Boecop zoo slinks aanrandden, is 't nog verergerd.... Zijn ze niet tot alles in staat, die een man als hem niet sparen? 'n Spion en geldzamelaar van Spinola, hij! Als een bandiet door ruiters achterhaald, toen hij naar Duitschland terugwilde, en van Schenkenschans naar 't Amhemsche gevang gebracht, 'n Edelman, lid van de ridderschap van de Veluwe, openlijk executeeren, dat ging niet. Daarom maar verraderlijk' vergift — den langzamen moord, die niet te bewijzen is Voor mij is bij, sinds verleden Februari-de tijding van zijn dood kwam, een heilig martelaar." .

„En dit alles enkel omdat hij de Zutfensche predikanten, op 't gastmaal bij burgemeester Van Luchteren, deerlijk havende in den redetwist, dien zij uitlokten," herdenkt Elbert. „Hij heeft 't ons indertijd immers verteld, hoe ze hem tenslotte roemden om z'n belezenheid en gevatheid, en hem troostten, dat hij op den goeden weg was, en weinig verschilde van hun geloof."

„Terwijl ze in werkelijkheid daarna voor het Consistorie niets onbeproefd lieten om hem verdacht te maken. Allerlei geheimzinnige geruchten deden de ronde: hij zou spqt hebben gehad over z'n kloostergelofte, ontrouw aan z'n orde zijn

geworden, weggejaagd zijn Dan weer was hij de verkenner

voor Spanje, spion, geldzamelaar voor den keizer"

„Zoo was de overval, dien wij bijwoonden, dubbel verklaarbaar dubbele haat: tegen hém en tegen het geloof

En toch waren ze bang voor hem. In z'n tegenwoordigheid allen z'n onderdanen — zóó hoog en nobel was z'n aard en z'n geest — hij beheerschte ze met z'n blik alleen"

Sluiten