Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo keeren ze weer tot liet werkelijk gebeuren, al blijft er na hun vervoering een naglans in hun blik, hoop en hernieuwde moed, en voelen ze zich meer dan ooit één en sterk.

,,'k Zal in de kapel voor alles zorgen, en alles klaarmaken voor het ontbijt." Vrouwe Margriet is weer terug in haar blijzinnigheid.

„Waarvoor wij de gasten gaan bijeenroepen uit hutten en gehuchten. Kom."

Sofie's voortvarendheid stoot Anna en ook Elbert op uit na-gemijmer. „Goed, dat je meegaat, Elbert. De schoutsknechten moesten Anna en mij anders eens voor klopjes houden."

„Dan hadden ze 't niet mis."

„Mooi zoo!"

„Zeg zelf, wat doe je anders dan klopjeswerk ?"

„En dus „meer kwaad dan alle papen samen.," volgens de wachteren Zions."

„Je lokt de menschen naar de afgodisterij. Je laat je gebruiken om de jonge jeugd en de anderen te verleiden onder pretext van devotie."

„Allemaal waar."

„Je bent de brakken van de jagers, en spoort het wild uit de kuilen." §§m

„Ik zou meenen, dat jij van 't eendere ras bent. Wij de klopjes, jij de brak."

„Je staat de zieken bij om ze in hun gemoed te ontrusten. Je laat de kinderen van hun ouders loopen."

„Da's voor jou, Anna!" lacht Sofie, haar arm leggend om de schouders van Ivijsje, die met groote oogen liep te luisteren. Ze zijn onder Elbert's levendig geplaag de torentrap af, de poort door in de sneeuwlaan gekomen.

Sluiten