Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,,'t Is door jou, dat ik leerde geen priesterroeping te hebben," en als zij, eensklaps begrijpend, het hoofd neerknakt: „nee, wees niet boos — laat 't me hever bekennen — kon ik niet aan jou denken, dan verging ik op den Cannenborg. Ik hoop op jou. Je moet het immers ook voelen, dat wij samenhooren ?"

„Wij ?"

„Heb je daar nooit over gedacht ? 't Spreekt mij zoo vanzelf. Ik meende, dat jij 't ook zoo weten moest."

„Maar je moet dat niet denken, 't Kan niet."

,,'t Kan niet, omdat ik bang ben, jou in den Cannenborg te brengen — 't is een huis van den dood."

„Zeg dat toch niet."

„Maar ik hoopte, dat jij in een wonder van hefde".... „Och, praat er niet verder over. 't Is om jou of om den Cannenborg niet." „Waarom dan wel?"

Ze ziet 'n wijl strak nadenkend vóór zich, en dan bekent ze vastberaden: „Beter, dat je 't ineens weet — m'n hefde is voor een ander."

„Niemand kan immers van je houden, zooals ik!" stoot Elbert uit. ,,'n Ander? Houdt die van je?"

„Misschien ooit.... Maar daarom vraag ik niet. Ik weet alleen, dat mijn leven niet meer los kan van dat andere"....

„Kun je me niet méér zeggen?" hervat hij na lang zwijgen. „■Je vrind mag ik toch wel-blijven? Toe, zeg me alles.... Bedenk 'ns hoe ik naar m'n eenzaamheid moet gaan, met dit verdriet. Misschien kun je me overtuigen — en dan ik me zelf."

„Bij jou biechten?" lacht ze bedroefd. En 't woord zelf geeft haar de gedachte in: misschien is z'n priesterroeping te redden en z'n vaders geluk, als ik hem alles zeg.

Sluiten