Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sofie en I/ijsje, die soms even stilstonden en omzagen, zijn nu van bocht tot bocht verdwenen.. er is niets dan de klaarte van het sneeuwbosch en de ademlooze stilte. En eerst moeielijk, maar alaan met vaste, kalme woorden vertelt Anna over haar liefde voor Hendrik, zonder dat Elbert met vraag of woord durft onderbreken.... „Dien avond op 't Loo, toen heer Arent toe Boecop voor 't eerst er was.... weet je nog?"

„Zou ik niet weten?" dat is weer 't eerste van Elbert, treurig en diep.... „toen jij later in het draagkoetsje wegging met 't licht van de lantaarn over je."

„Ik heb toen na de vesper alles gebiecht aan den pater — zooals nu aan jou — alleen véél bedroefder. Want zijn woord heeft me de rust gegeven, waarin ik nu leef. Ik kan 't je letterlijk herhalen — 't is nu een stem tut het graf, daarom voor mij des te veelzeggender: „Wie kan weten of de Voorzienigheid u die liefde niet instortte," zei hij, „om dien armen dwazen dwaler iemand te geven, die voor hem bidt, zooals geen ander voor hem bidden kan — 'n ziel die lijdt als in straf, om misschien de zijne van de eeuwige straf te redden".... Daarom moest ik sterk zijn en trouw — en sedert ben ik sterk geweest, door dat woord en door m'n bidden.... Ik moet het blijven, 'k Weet beter dan ooit, dat het moet.... nu hij ons zoo nabij is geweest, Elbert."

„Je wilt hem tot je trekken met je hefde en met je gebeden. Is 't niet een droom?"

„Hem trekken, ja — maar niet tot mij — enkel tot God terug."

Hij blijft zwijgen, en ze wordt dit niet gewaar in haar gemijmer. Eerst nu ze buiten het bosch komen, en ze Sofie met Lijsje daar zien op den drempel der eerste hut, eensneeuwbult in het witte veld, herleven ze tot de werkelijkheid.

Sluiten