Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dank, dat je me 't allemaal vertelde," zegt Elbert warm.

„Ach," en schuw komt even haar hand op z'n arm. „je moet om dit alles geen verdriet hebben. God wil 't zoo."

„Ik kan tenminste iets samen mèt jou: je helpen bidden en je helpen.... lijden."

„Dat houdt ons vrinden voor heel 't leven."

„Wat zal 't me lang vallen!" Ze zien elkaar aan en schudden het hoofd met denzelfden treurigen ghmlach.

Tegelijk komt Lijsje op hen toegevlogen, haar mantel waait open, ze fladdert als met parelgrijze duivenvleugels. „Anna!" zegt ze. „Sofie heeft me onderweg 'n liedje geleerd voor 't Kerstkind.... want dat komt vannacht neerdalen in de kapel — Jezus zelf".... En als ze samen verdergaan, zij aan Anna's arm, zingt ze:

't Kindje begon te slapen, De moeder sprak ons aan. Lieve Herders bij uw schapen Wilt zoetjes buitengaan. U-lie zij peis en vree, Dat brengt mijn Kind u mee. Want het is God uw Heer, Komt morgen nogeens weer.

Haar stem klinkt als een heel hoog klokje door de klaarte. De twee luisteren en durven om hun tranen niet opzien of spreken.

□ □ □

Kaarsen branden bij het leeg tabernakel en kaarsen bij de oude kerstwieg onder de Godslamp. Meer licht is er niet in de Loosche kapel. De altaarnis beschermt dien stillen gouden schemer tusschen haar wanden en gewelf.

Sluiten