Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kaarsen knapperen hoorbaar, anders is er geen geluid dan het gelispel en soms even een onrustig schuifelen of een heesch hoesten, dat, eer het zich voortplant onder de biddenden, weer vergaat in het bang luisterend wachten.

De kapel is vol. In de banken zit het volk uit heihutten en dorp dicht opeen, heele gezinnen. De goudschemer uit de altaarnis waart hun grauwe lompenkeeren, hun vale zorggezichten aan en de knoestige dorre handen, die op de bankleuning steunend of geheven zijn saamgevouwen.

Aan de muren leunen mannen, in de open middengang knielen meisjes en kinderen. Ze wachten. Ze kijken. Diep schijnt uit de oogen de spiegeling van het altaarlicht, glans naar

glans, die samenstraalt om de kribbe Het Jezuskind ligt

er met de armen open — „eia popeia" denkt Elbert, wiens blik van 't volk over de kerstwieg weer naar 't leeg wachtend altaar dwaalt.... De kaarsen zijn haast half opgebrand, en nog geen priester!

Z'n vader, bij hem in de altaarbank, zit in den hoek gedoken. Tusschen hen in Ivijsje, die, toen ze niet met Anna en Sofie mee naar 't orgel mocht, Elberts's hand greep: „Dan wil ik bij jou!" Nu zit ze met de handjes samen en kijkt naar de kribbe tusschen de bolkruinige laurierboompjes. Soms bewegen haar lippen. Dan bidt ze haar nieuw hedje. Vrouwe Margriet in de bank aan de overzijde zoekt in haar ongerustheid aanhoudend steelsch Elbert's blik, onmerkbaar het hoofd schuddend en de hppen bewegend: „Het duurt te lang. Hij zal niet meer komen. Wat is er gebeurd?" Elbert's eigen gedachten. Dan zien ze weer naar de arme menschen, voor wie het beloofde feest

maar niet wil beginnen Een uur, twee uur eh verder zijn

ze gekomen door kou en sneeuw, hopend op iets wonders.... Stilte en nacht wijd-om, de muren, de duistere gordijnen.

Sluiten