Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de dichte deuren sluiten hen en hun hunkeren in En niets

dan wat kaarsenschijn en het poppetje op stroo.

Boven bij het orgel wachten Sofie en Anna. Als hij omhoog kijkt, ziet hij ze naasteen geknield voor de balustrade, met de

oogen neer naar kribbe en altaar Hij weet, dat ze 't orgel

niet durven aanraken, dat haar stemmen geen geluid zouden vinden in deze stilte.

Hem wordt de weeë zielsleegte, die hij niet voelen wilde, tot een pijn, die hij wel voelen moet. Want zooals dit holle, hongerige wachten is heel z'n leven immers — alles om niets, wat hij ooit hoopte of deed. En nu het eenige, het eerste en laatste geluk hem ontzonken is, — moet hij, als hij niet mee wil verzinken voor altijd in nacht en leegte weg wat dan toch ?

Opeens is er beweging achter hem. En als hij omkijkt, ziet hij Lijsje in slaap vallen en tegen heer Marten's arm gezonken, al haar blonde haren over zijn handen. „Breng haar weg," mompelt z'n vader. En vrouwe Margriet, die 't merkt, komt al, achter de kribbe om. Ze richt het kind zachtjes, op, neemt haar in den steun van haar arm mee de sacristie in; Elbert gaat haar na. Hun bewegen schijnt binnen de kapel verademing te brengen, of een ban verbroken wordt. Ze verschuiven en schuifelen er nu, ze hoesten, ze fluisteren tegen elkaar over hun teleurstelling. Mèt begint het orgel en de twee meisjesstemmen heffen aan: Gloria in excelsis Deo. 't Klinkt onzeker tot hun driëen door, nu ze in de gang zijn. „Nee" zeurt Lijsje „ik wil niet naar bed. 'k Wil liever bij Anna en Sofie dat liedje zingen. Jezus is niet gekomen — dat is maar 'n pop in die wieg."

„Ze is lastig van den slaap" knipoogt vrouwe Margriet, tegen Elbert, en ze troont haar mee naar de trap, neemt er 't lantaarntje uit de nis

Sluiten