Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij tweeën vieren Kerstnacht! God mag doen met hen,

wat Hij goedvindt. Zuchten zullen ze niet

„Ga naar bed," zegt z'n vader, als ze in 't voorhuis komen.

„Ja." En ze gaan van mekaar met een moeilijken hoofdknik, heer Marten de hal in, Elbert de trap op. Maar halverwegen keert hij om. Wat zou hij daar in z'n kamer? Maanden na maanden was ze het veilig thuis van z'n droomen. Nu daar

slapen? Loopen moet hij en vergeten 'n Doel? Willem

Simonz zoeken, al was 't op dén Zwanenborg!....

Weer buiten, is hij anders dan tevoren. Voor de verstarring komt de pijn, die zich dieper en dieper ingraaft in z'n hart.

Hij klemt de tanden opeen, wil die pijn niet Eerst moet

hij nu naar Vaassen en vragen op de hoeve. Daarna zal hij wel verder zoeken. Zoo moet hij nu zien voort te leven, eiken dag een nieuw doel verzinnen, al is 't om niets! Zoo 't leven van het een naar het ander sleepen tot het einde.

Bij de hoeve draalt hij een oogenblik vóór de gesloten poort. Als hij den klopper laat vallen, doorschokt de weerslag z'n hart....

Alsof ze waakten binnen, is er dadelijk gerucht: „Wie?" — „Isendoorn." — „De jonker?" — „Elbert," zegt hij z'n stem uitzettend. Ze schijnen die te herkennen en te vertrouwen. De deur gaat open. Bevend en bleek staan daar de twee oudjes, de moeder 't voorst, de man er achter met de stallantaarn omhoog.

„Weet ge iets van uw zoon?"

Angstig beduiden ze hem te zwijgen, wenken hem binnen, sluiten weer de deur met de grendels. In de keuken begint de man heesch, ontdaan: „Ze hebben hem weer gevat, de rakkers. Hier vóór 't huis. Toen hij opweg ging naar 't Loo. Die Mis was zeker verraden. Ze sprongen achter de heg uit.

Sluiten