Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vlak onder onze oogen vingen ze hem als 'n dief. En nu zit hij onder den toren."

„Onder den toren — bij zoo'n kou!" jammert de moeder. „Schande, schande.... Onze eigen oude kerk nu de gevangenis van een priester"

„Wat zullen ze hem doen, jonker? 't Is de tweede maal."

„Gegeeseld, beboet, gebannen," schiet het Elbert door het hoofd. Maar hij zoekt een lach: „Dat is weer om geld te doen! Honderd ponden Vlaamsen den eersten keer. Voor tweemaal zooveel vergeten ze wel, dat het de tweede keer is. Die kan dan altijd nog volgen"....

„We kunnen geen tweehonderd ponden meer samenbrengen — niets meer."

,,'k Zal 't vader vragen."

„Onder den toren — Gods kerk 'n kot — en Gods priester als 'n dief erin I" blijft moeder Simonz jammeren. „Schenners!" stoot de vader uit. „Vanmiddag zit hij bij u aan de Kerstsaucijzen." „Kerstmis nogwel!"

„Voor 't Veluwsche volk bestaat geen hoogtij meer.... niets dan ellende."

„Ho!" verwijt Elbert. „Denk er aan, dat alles Gods wil is — de beproeving, die genade is"; en tegelijk is hij verwonderd voor anderen den troost te weten, dien hij zich zelf niet geven kan. „We moeten geduldig zijn."

„Geduld — ja, da's alles," stemt de vader verootmoedigd in. „Ik durfde 't niet denken, maar stellig is 't de genade Gods, als onze eenige zoon een martelaar zou mogen zijn."

„Bespot, bespuwd, geslagen," valt het vrouwtje bij, en er komt licht in haar oogen. „Christus werd t vóór hem, da's waar."

Sluiten