Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En klaagde niet."

,,'k Weet zeker, dat Willem in't kot zit te denken aan den stal van Bethlehem."

„Natuurrijk." knikt Elbert. „We moeten allemaal maar denken aan de kribbe en 't kruis." 't Is hem of hij een wonder beleeft en in de wisselspraak met de oudjes Gods stem hoort voor zich zelf.

Hij wordt stil, en als zij, verwonderd om z'n tranen, ook verstillen, weet hij alleen nog: ,,'k Zal op den Cannenborg het geld vragen — en dan naar den schout gaan."

„God loone 't u Ineens is 't nu allemaal anders — we

zaten te diep in onzen angst Nu wordt het tóch nog

Kerstmis"....

Terug op den weg ziet Elbert over de in slaap en sneeuw verzonken dorpshuisjes den ochtend aanlichten. Nog vaag en log lossen zich de vormen uit den schemer. Ergens kraait een haan. En uit een schouw waart wat rook van een takkenvuur.

„Toch nog.Kerstmis?" Nu hij tusschen de huizen uit is, ziet hij verwonderd naar den zacht-rooden glans, die boven de kruivige hjn der lage dennenbosschen gloort en vaag purpert over het sneeuwveld. „Vrede aan de menschen, die van goeden wil zijn." Toch nog Kerstmorgen voor hem? Die twee oudjes zal hij gelukkig maken, en ook dien achtervolgde in het torenhok Hij moet nu stil zijn en van

goeden wil als hij nog wil leven. Liep Anna hier naast

hem, zooals in den middag, dan zouden ze samen naar den rooden zonsopgang zien, waar goud uit doomt naar de witte wolken, die tot veeren uiteendrijven Anna naast

hem? Nu zou hij weer even rustig zijn, als toen hij haar

wonderrijk verhaal aanhoorde, eerbiedig en stil Naast

haar in den klarenden Kerstmorgen zou hij opnieuw moeten

Sluiten