Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu is het Elbert, die het hoofd afwendt. Hij kijkt naar het venster, voelt achter z'n strakke oogen warme tranen beven,

en in z'n hart is weer die ingravende pijn Maar de morgen

daagt door de ruitjes, rozig doortint als een lente-ochtend.

„Jou helpen bidden en lijden, en geven, geven, in hefde onuitputtelijk," bidt het in z'n gedachten, en tegelijk denkt hij aan Hendrik, wiens ziel ze willen redden

Hij ziet weer naar z'n vader om: „Er is nóg iets," hapert hij, ,,'k weet niet of ik 't voor u zwijgen mag."

„Zeg maar"....

„U wilt met, dat ik z'n naam nog noem — maar nu.... U moet hem niet onder de dooden denken. Hij leeft." „Wie weet dat ?"

„Karei van Delen heeft hem gesproken bij Bergen-op-Zoom. Hij was in 't leger van Mansfeit en Brunswijk — kolonel — een stoer soldaat — maar niet vroolijk. Hij zocht Karei zelf en vroeg naar de Veluwe," praat Elbert ineens door.

„Naar ons?"

Elbert haalt de schouders op. Z'n verdere woorden besterven hem op de lippen. Z'n vader strekt de witte verdorde hand vlak uit en kijkt er strak op neer, wendt ze om en

kijkt nog alsof er niets anders is dan die hand van

hem. — Er is iets zóó wanhopig bedroefds in dit gebaar, dat Elbert's borst zwoegt van het geweld, dat hij zich aandoet om den snik te bedwingen, die hem uit het hart opschokt.

Ze zitten en zwijgen.

Na lang zegt z'n vader: „ Ik dacht, dat je naar den schout ging-"

,,'k Zal gaan."

„Zeg, dat ze den losprijs bij mij kunnen halen. En aan Simónz, dat hij vanavond hier komt. 'k Wil biechten."

Sluiten