Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X

DIE in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die 'zal vernachten in de schaduw des Ahnachtigen"

Fenne's stem dempt alle geluid in de stove, waar heel het Laarder gezin bijeen is voor het ontbijt. Sedert het van half Januari zoo fel wintert, zijn ze hier in de beslotenheid van het laag-gezolderde en zwaar-bemuurde vertrek gaan huizen. Brecht's turfvuur is 't warmste, en de kou kan niet binnen door de dichte onderluiken van het eenige diepe venster. Door de tusschendeur komt de welige warmte der keukenfornuizen. Voor de deur naar de gang weert de perzische voorhang uit de zaal den tocht, en de kille steenen vloer is dubbel belegd met Fngelsche matten. Alleen de naargeestigheid van den grauwen nevelmorgen, die door de bevroren bovenruitjes druilt, is niet te weren, al gloeit het vuur z'n rossen weerschijn in het koper op schapraai en dressoren, in het tinnen ^geraad op de tafel. Ze tast alles aan met haar dof waas en ruigt door de kruidwisschen, die van de donkere balken neerhangen, dorre bossen lavendel, tijm en vlier, linzen- en uienzaad, waartusschen de teenen kooi met Brecht's gekortwiekte kauw. Die hipt anders vrij rond of zit van de schouwkap naar het spinnen te turen, maar bhjft nu, om de meesters, opgesloten en pikt aan de tralies, 't Geschraaf van z'n bek

tegen het hout begeleidt Fenne's psalm

Alleen heer Herman hoort dat. Dicht in z'n martertabberd zit hij vlak bij de gloeiende turven, de muts van vossenpels diep over de ooren, de handen in de mouwen en de voeten in de met schapevacht gevoerde stillegangers.

Sluiten